Adverbe of adjectif?

In het Nederlands hoor je het verschil niet tussen een bijwoord en een bijvoeglijk naamwoord. In het Frans maakt het wel uit. Maar dat is geen reden om er grijze haren van te krijgen.

Een bijvoeglijk naamwoord is een adjectif, een bijwoord is een adverbe. Het verschil is grammaticaal, en zodra je dat door hebt, kun je er ook mee werken in het Frans.

Adjectif
Een bijvoeglijk naamwoord (adjectif) vertelt iets over een zelfstandig naamwoord.
Dus: Dat is een grote hond. Hier is ‘grote’ het bijvoeglijk naamwoord dat iets zegt over het zelfstandig naamwoord ‘hond’. Een zelfstandig naamwoord herken je omdat je er in het Nederlands de, het of een voor kunt zetten (of in het Frans le/la/l’ of un/une)
In het Frans wordt die zin: Il est un grand chien.
Meer voorbeelden:
Une jolie fille (een mooi meisje)
Le cadeau moche (een lelijk cadeau)
La fleur petite (de kleine bloem)

Een bijvoeglijk naamwoord verandert in het Frans mee met het zelfstandig naamwoord:
Un joli garçon. Les cadeaux moches. Les fleurs petites.

Adverbe
Een adverbe (bijwoord) vertelt iets over het werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of over een ander bijwoord.
Dus: Je hebt goed gewerkt. Hier is ‘goed’ het bijwoord, dat iets zegt over het werkwoord ‘gewerkt’. Je kunt het bijwoord vaak vinden door een ‘hoe-vraag’ te stellen: Hoe heb je gewerkt? – Goed.
In het Frans: Tu as bien travaillé.

Zit er 1 werkwoord in een zin, dan zet je het bijwoord daarachter.
Elle travaille bien. (Ze werkt goed)
Elle m’aide rapidement. (Ze helpt me snel)

Plaats in de zin
Bij meerdere werkwoorden hangt het af van de hoeveelheid lettergrepen waar je het bijwoord zet. Heeft het bijwoord 1 of 2 lettergrepen? Dan zet je het bijwoord tussen het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord:
Elle m’a bien aidé. (ze heeft me goed geholpen)
Heeft het bijwoord 3 of meer lettergrepen? Dan zet je het bijwoord na het voltooid deelwoord:
Elle m’a aidé rapidement. (ze heeft me snel geholpen)

Als het bijwoord iets zegt over een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord, dan zet je het bijwoord ervoor:
Il est vraiment gentil. (hij is erg aardig)
Ils jouent très bien. (ze spelen erg goed)

De adverbe vormen
Het bijwoord maak je als volgt:
Neem de vrouwelijke vorm in enkelvoud van een bijvoeglijk naamwoord.
Voeg hier -ment aan toe.

Dus:
ouvert > ouvertement
vif > vivement
complet > completement
heureux > heureusement

Het Frans zou geen Frans zijn als er geen uitzonderingen op de regel waren.
Als het bijvoeglijk naamwoord op een klinker eindigt, valt de -e die je toevoegt aan de vrouwelijke vorm weg. Dus: vrai > vraiment.

Sommige vormen zijn volledig onregelmatig, bijvoorbeeld:
bon > bien
gentil > gentiment
mauvais > mal
meilleur > mieux

Nieuwsbrief