Bien vs bon

Goed eten, een goed mens, een goed boek, goed Frans praten. In het Nederlands hoef je maar 1 woord te kennen, maar in het Frans heb je bien of bon. Wanneer gebruik je nu welk woord?

Bon

  1. Als het woord ‘goed’ bij een zelfstandig naamwoord hoort (let op, het woord bon/bonne/bons/bonnes verandert mee met het zelfstandig naamwoord):
    • J’ai lu un bon livre. (Ik heb een goed boek gelezen.)
    • J’ai mangé de bons fruits. (Ik heb goede vruchten gegeten.)
    • J’ai passé une bonne soiree. (Ik heb een leuke avond gehad.)
  2. Met het werkwoord être:
    • Als je wilt zeggen dat iets lekker is:
      Ce vin est très bon. (Deze wijn is erg goed.)
    • Als je wilt vragen of zeggen dat iets oké of prima is:
      C’est bon ? (Ben je klaar? Is het oké?.)
      En ook: C’est bon maintenant ! (Zo is het genoeg!)
    • Als je wilt zeggen dat iets correct is:
      Ton devoir est bon. (Je huiswerk is goed.)

Bien

  1. Als het woord ‘goed’ bij een werkwoord hoort (let op, het woord bien verandert niet mee!):
    • Ma voiture roule bien. (Mijn auto rijdt goed.)
    • Je danse bien. (Ik dans goed.)
    • Elle parle bien français. (Ze spreekt goed Frans.)
  2. Met het werkwoord être, als je wilt zeggen dat iets aardig, interessant of cool is, of bij een compliment (bravo!):
    • Ce livre est bien. (Dit boek is interessant.)
    • Ton appartement est bien. (Je flat is cool.)
    • C’est bien que tu fasses ça. (Het is goed dat je dat doet.)
    • C’est bien ! Tu as tout compris. (Goed zo! Je hebt het begrepen.)

Nieuwsbrief